|
De Schedel
De bovenschedel is licht gewelfd maar mag niet
bolvormig of te vlak zijn. De bovenschedel mag niet te breed zijn en de
achterhoofdknobbel niet te hoog. Het voorhoofd vormt met de neusrug de
duidelijk gemarkeerde stop. De neusrug mag niet in het voorhoofd zijn
gedrukt maar ook niet afvallen. De punt van de neus ligt iets hoger dan de
neuswortel, en wipt als het ware iets op. De neus is breed en zwart en
gaat iets omhoog met wijde neusgaten waartussen zich een groef bevindt.
Het voorhoofd laat een goed
aangegeven voorhoofdsgroef zien die echter niet te diep mag zijn. De
wangspieren zijn evenals het gebit krachtig ontwikkeld zonder daarbij uit
te puilen. De ongecoupeerde oren moeten qua grootte bij het hoofd passen
en zijn liever klein dan
groot. Wanneer de hond attent is moeten de oren met een duidelijke vouw
naar voren vallen.
|