De kaken

De Boxer bijt ondervoor, wat inhoud dat de onderkaak voor de bovenkaak uitsteekt en daarbij licht omhoog buigt. De bovenkaak is breed bij de schedel en verloopt ook breed naar voren waarbij deze nauwelijks smaller wordt. Zowel de boven als onderkaak zijn dus zeer breed. De hoektanden staan zover mogelijk uit elkaar , waarbij de snijtanden in de onderkaak het liefst in een mooie rechte lijn staan. In de bovenkaak staan de tanden licht naar voren gebogen. Het gebit moet krachtig en gezond zijn en zo regelmatig mogelijk. De bovenlip is dik en vlezig waardoor deze de ruimte opvult die ontstaat door het naar voren steken van de onderkaak, waarbij de hoektanden als het waren de bovenlip dragen. Daardoor ontstaat het voorvlak van de snuit. Dit moet zo groot mogelijk zijn, en lijkt dan ook haast vierkant waardoor hij met de neusrug een stompe hoek vormt. Het onderste gedeelte van de boven lip rust op de rand van de onderlip. Het omhoog gekromde deel van de onderkaak samen met de bovenlip vormt de kin die iets voor de bovenlip uitsteekt. Wanneer de mond gesloten is mogen er geen tanden zichtbaar zijn. Dit geld ook voor de tong.