De achterhand

De achterhand is zeer sterk gespierd waarbij de bespiering keihard is en heel goed onder de huid te zien is. De dij is niet smal en vlak, maar breed en rond. De broekspieren zijn sterk ontwikkeld. De kroep is enigszins gewelfd en licht gebogen. De staart is nu nog gecoupeerd, en wordt rechtop gedragen.Het dij en scheenbeen is lang waarbij de hoeken bij de heup en in het kniegewricht zo weinig mogelijk stomp is. De knie moet in normale stand zover naar voren steken dat deze door een uit de knobbels op het kruisbeen naar de grond neergelaten loodlijn nog wordt geraakt. De hoek van het spronggewricht moet ongeveer 140 graden zijn en de korte achtermiddenvoet gaat met een geringe afwijking van 95-100 graden naar de grond en dus niet volkomen loodrecht. Het spronggewricht is droog maar niet overdreven met een sterk hielbeen, waarbij de tenen iets langer zijn dan aan de voorvoet, maar wel gesloten en gewelfd.